Het Openbaar Ministerie vervolgt Jan Roos en Dennis Schouten vanwege vermeend beledigende uitlatingen over twee vrouwen in hun programma RoddelPraat. In uitzendingen uit oktober 2024 maakten de presentatoren opmerkingen over het uiterlijk van de vrouwen, die daarop aangifte deden. Bij de aankondiging van de vervolging beperkte het OM zich echter niet tot de beledigingen zelf. Volgens het OM draagt 'verbale agressie' tegen vrouwen, zeker wanneer die afkomstig is van publieke figuren, bij aan een cultuur waarin ernstigere vormen van geweld mogelijk worden.
Daarmee krijgt een strafzaak over beledigende uitspraken een veel bredere maatschappelijke lading. Dat roept de vraag op hoe stevig het veronderstelde verband tussen zulke uitlatingen en ernstig geweld eigenlijk is onderbouwd. Dat uitspraken grof, kwetsend of smakeloos kunnen zijn, betekent immers nog niet zonder meer dat zij bijdragen aan mishandeling, verkrachting of ander geweld. Wanneer dergelijke verbanden een rol spelen in de motivering van strafrechtelijke vervolging, is het daarom van belang dat duidelijk is of zij berusten op aantoonbare causaliteit, op correlaties of op maatschappelijke modellen die oorspronkelijk vooral zijn bedoeld voor bewustwording. Ook moet worden voorkomen dat individuele verdachten via zo'n redenering indirect verantwoordelijk worden gemaakt voor geweld dat zij niet hebben gepleegd en waartoe zij niet hebben aangezet.
FVD-Kamerlid Peter van Duijvenvoorde heeft hierover Kamervragen gesteld aan de minister van Justitie en Veiligheid. Hij wil onder meer weten of het OM gebruikmaakt van de zogenoemde ‘piramide van geweld’ of vergelijkbare modellen en welke wetenschappelijke onderbouwing daarvoor bestaat. Ook vraagt hij welke rol deze redenering daadwerkelijk speelt bij de beslissing om tot vervolging over te gaan, hoe de vrijheid van meningsuiting en de ruimte voor satire worden meegewogen en of voor vergelijkbare beledigingen van mannen en vrouwen dezelfde criteria gelden. Daarnaast vraagt Van Duijvenvoorde hoe de inzet van justitiecapaciteit voor dergelijke beledigingszaken wordt afgewogen tegen bedreiging, stalking, mishandeling en seksueel geweld. Met de vragen wil hij duidelijk krijgen waar de grens ligt tussen maatschappelijke duiding door het OM en de individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een verdachte.
De vragen van het lid Van Duijvenvoorde kunt u hieronder lezen.
Bent u bekend met het bericht dat het Openbaar Ministerie (OM) Jan Roos en Dennis Schouten vervolgt wegens beledigende uitlatingen over twee vrouwen in hun programma RoddelPraat?
2. Kunt u bevestigen dat het OM deze vervolging publiekelijk heeft toegelicht met de stelling dat verbale agressie tegen vrouwen bijdraagt aan een cultuur waarin ernstigere vormen van geweld mogelijk worden? Kunt u de volledige toelichting aan de Kamer verstrekken?
3. Hanteert het OM de zogenoemde ‘piramide van geweld’, of vergelijkbare modellen waarin beledigingen en seksistische grappen in verband worden gebracht met mishandeling, verkrachting en moord, bij zijn vervolgingsbeleid, interne opleidingen of publieke communicatie? Zo ja, welke modellen betreft dit en kunt u de bijbehorende documenten verstrekken?
4. Welke wetenschappelijke onderzoeken onderbouwen het door het OM genoemde verband tussen verbale agressie tegen vrouwen en ernstigere vormen van geweld? In hoeverre tonen deze onderzoeken een oorzakelijk verband aan, en in hoeverre beschrijven zij correlaties, maatschappelijke opvattingen of theoretische veronderstellingen?
5. Welk onderscheid maakt het OM tussen een model dat wordt gebruikt voor maatschappelijke bewustwording en een wetenschappelijk gevalideerd model dat geschikt is om concrete beslissingen over strafrechtelijke vervolging te ondersteunen?
6. Hoe voorkomt het OM dat algemene uitspraken over een maatschappelijke cultuur worden vertaald naar verantwoordelijkheid van individuele verdachten voor geweld dat zij niet hebben gepleegd en waartoe zij niet hebben aangezet?
7. Welke criteria hanteert het OM om beledigende uitlatingen over een vrouw aan te merken als gendergerelateerde agressie? Is daarvoor bepalend dat de beledigde persoon een vrouw is, of moet ook een aantoonbaar verband bestaan tussen de uitlating en haar geslacht?
8. Deelt u de opvatting dat de ernst en urgentie van geweld tegen vrouwen op zichzelf geen bewijs vormen voor de stelling dat specifieke beledigende uitlatingen aan dat geweld bijdragen? Hoe wordt dit onderscheid bewaakt in het vervolgingsbeleid en de communicatie daarover?
9. Welke betekenis heeft de veronderstelde bijdrage van uitlatingen aan een gewelddadige cultuur voor de beslissing om wegens belediging te vervolgen? Betreft dit een zelfstandig vervolgingsargument, een factor bij de prioritering of uitsluitend een toelichting voor het publiek, en op welke beleidsregels berust deze toepassing?
10. Hoe waarborgt het OM bij dergelijke vervolgingsbeslissingen de vrijheid van meningsuiting, waaronder de ruimte voor satire, overdrijving en uitlatingen die kwetsen, choqueren of verontrusten, en hoe worden de rechten en reputatie van betrokkenen daartegen afgewogen?
11. Hanteert het OM dezelfde vervolgingscriteria bij vergelijkbare beledigingen over het uiterlijk van mannen en vrouwen? Zo nee, welke verschillen bestaan er en wat is daarvoor de objectieve rechtvaardiging?
12. Hoe voorkomt het OM dat het in zijn publieke communicatie verdachten van belediging tevens in verband brengt met ernstige geweldsdelicten waarvoor zij niet worden vervolgd? Hoe verhoudt dergelijke communicatie zich tot de onschuldpresumptie en de vereiste terughoudendheid tegenover verdachten?
13. Hoe wordt de inzet van opsporings- en vervolgingscapaciteit voor beledigingszaken afgewogen tegen de inzet voor concrete bedreiging, stalking, mishandeling en seksueel geweld? Welke rol spelen de ernst van het feit, het aantoonbare risico voor slachtoffers en de bekendheid van verdachten daarbij?
14. Klopt het dat deze zaak aan een meervoudige strafkamer wordt voorgelegd? Zo ja, welke overwegingen rechtvaardigen die keuze en in hoeverre is deze behandeling gebruikelijk bij vergelijkbare beledigingszaken?
15. Bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de wetenschappelijke en juridische onderbouwing van het gebruik van de ‘piramide van geweld’ of vergelijkbare modellen binnen het OM, en te laten toetsen of daarbij voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen maatschappelijke urgentie, empirisch bewijs en individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid?
Waardeert u wat we doen? Word dan lid van FVD om ons werk te ondersteunen!
