Etnisch seksueel geweld en 'grooming gangs': bestaat dat ook in Nederland?

9 juni 2026

4 minuten leestijd

Steeds vaker zien we buitenlandse bendes die jonge, Europese meisjes op een georganiseerde manier uitbuiten, verkrachten en de prostitutie in dwingen. De casus van de ‘grooming gangs’ in het Verenigd Koninkrijk is al jaren bekend. Pakistaanse mannen die Engelse meisjes op brute wijze voor het leven verminkt hebben. Het werd door de politiek in de doofpot gestopt. 

Onlangs werd er ook bericht over een lopend politieonderzoek in het Duitse Neurenberg, waarbij de recherche een speciale onderzoekscommissie genaamd "EKO Kajal" heeft ingesteld naar aanleiding van signalen dat minderjarige meisjes — van wie het jongste bekende slachtoffer dertien jaar oud is — rondom het centraal station stelselmatig werden benaderd door een groep verdachten van voornamelijk Syrische, Noord-Afrikaanse en Pakistaanse afkomst, afhankelijk werden gemaakt van harddrugs zoals crystal meth en vervolgens seksueel werden uitgebuit.

Forum voor Democratie wil duidelijkheid van de minister of er in Nederland ook netwerken van buitenlandse verkrachtingsbendes bestaan. Daarover stelt Peter van Duijvenvoorde Kamervragen: 

Vraag 1

Is de minister bekend met de berichtgeving vanaf 21 mei 2026 over een lopend politieonderzoek in het Duitse Neurenberg, waarbij de recherche een speciale onderzoekscommissie genaamd "EKO Kajal" heeft ingesteld naar aanleiding van signalen dat minderjarige meisjes — van wie het jongste bekende slachtoffer dertien jaar oud is — rondom het centraal station stelselmatig werden benaderd door een groep verdachten van voornamelijk Syrische, Noord-Afrikaanse en Pakistaanse afkomst, afhankelijk werden gemaakt van harddrugs zoals crystal meth en vervolgens seksueel werden uitgebuit?

Vraag 2

Hoe beoordeelt de minister deze berichtgeving, mede in het licht van de grootschalige zaken in Rotherham en Rochdale, waarbij de dadergroepen overwegend bestonden uit mannen van Pakistaanse afkomst en de slachtoffers overwegend autochtone Britse meisjes waren — en waarbij de officiële evaluatie (Jay Report, 2014) concludeerde dat autoriteiten jarenlang hebben gefaald doordat zij de etnische achtergrond van de dadergroepen niet durfden te benoemen — en deelt de minister de opvatting dat onderzocht moet worden in hoeverre bij dergelijke zaken sprake is van etnisch gemotiveerde selectie van slachtoffers?

Vraag 3

Deelt de minister de opvatting dat zaken als Rotherham en Rochdale enerzijds, en de huidige zaak in Neurenberg anderzijds, een structureel patroon laten zien waarbij kwetsbare minderjarigen door georganiseerde groepen worden gerekruteerd, via alcohol, drugs of intimidatie in een positie van afhankelijkheid en onmacht worden gebracht en vervolgens stelselmatig seksueel worden misbruikt en uitgebuit — en dat dit patroon zich doorgaans buiten het directe zicht van politie, hulpverlening en lokale overheden afspeelt?

Vraag 4

Beschikt de minister over signalen dat vergelijkbare vormen van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen — waarbij drugsafhankelijkheid of intimidatie als instrument van dwang wordt ingezet — zich ook in Nederland voordoen? Zo ja, wat is hierover bekend? Zo nee, op basis waarvan concludeert de minister dat dergelijke signalen ontbreken, mede gelet op het feit dat de Nationaal Rapporteur Mensenhandel in 2025 heeft gewaarschuwd voor infiltratie van criminele netwerken in zorginstellingen?

Vraag 5

Worden in Nederland gegevens bijgehouden over de mate waarin minderjarige meisjes via drugs, schulden, afhankelijkheidsrelaties of andere vormen van dwang in seksuele uitbuiting terechtkomen? Zo ja, wat laten deze gegevens zien over de afgelopen vijf jaar? Zo nee, waarom niet, en acht de minister dit aanvaardbaar?

Vraag 6

Kan de minister aangeven in hoeveel zaken van seksuele uitbuiting of verkrachting van minderjarigen de afgelopen vijf jaar sprake was van een georganiseerd samenwerkingsverband van meerdere daders, en in hoeveel zaken van een individuele dader?

Vraag 7

In hoeverre beschikken politie, Openbaar Ministerie, gemeenten, jeugdzorginstellingen en de Nationaal Rapporteur Mensenhandel over voldoende instrumenten om georganiseerde netwerken die minderjarigen seksueel uitbuiten vroegtijdig te herkennen en te ontmantelen, en welke knelpunten worden hierbij gesignaleerd?

Vraag 8

Wordt in Nederland structureel onderzocht of bepaalde groepen minderjarige meisjes een verhoogd risico lopen slachtoffer te worden van deze vorm van uitbuiting — bijvoorbeeld meisjes uit instabiele gezinssituaties, de jeugdzorg of de gesloten jeugdhulp — en zo ja, wat zijn de uitkomsten van dat onderzoek?

Vraag 9

Beschikt de minister over gegevens omtrent de nationaliteit, migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten die in Nederland betrokken zijn bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen? Zo ja, is hij bereid deze gegevens met de Kamer te delen? Zo nee, deelt de minister de opvatting dat het ontbreken van deze registratie — gelet op de uitdrukkelijke conclusie in het Britse Jay Report dat het niet benoemen van de achtergrond van dadergroepen het ingrijpen heeft vertraagd en slachtoffers heeft geschaad — zelf een beleidsrisico vormt dat correctie behoeft?

Vraag 10

Indien gegevens over de achtergrond van daders bij georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen niet structureel worden verzameld of geanalyseerd, acht de minister het wenselijk hierin verandering te brengen, zodat beter inzicht ontstaat in de aard, omvang en achtergrond van deze ernstige vorm van criminaliteit en de aanpak daarop kan worden afgestemd?

Vraag 11

Welke concrete lessen trekt de minister uit de zaken in Neurenberg, Rotherham, Rochdale en vergelijkbare buitenlandse onderzoeken, en ziet hij aanleiding om de Nederlandse aanpak — inclusief het instrumentarium voor vroegherkenning, registratie en vervolging — tegen het licht te houden?

Vraag 12

Is de minister bereid de Kamer een overzicht te sturen van de aard en omvang van georganiseerde seksuele uitbuiting van minderjarigen in Nederland, inclusief de wijze waarop politie, OM en hulpverlening dit monitoren en bestrijden, alsmede een beoordeling of het huidige instrumentarium toereikend is?